Zorg: Markt of mensenrecht?
Vorige week ontstond in de politiek opwinding over een ziekenhuis in Haarlem, dat aan voorkeursbehandeling zou doen. Twee belangen botsen hier: de beoogde marktwerking en de toegang tot de zorg als mensenrecht.
Door André den Exter
Groot was vorige week de ophef in de politiek over vermeende voorrangszorg in het Kennemer Gasthuis te Haarlem. Dit ziekenhuis werkt samen met een bemiddelingsbureau dat in opdracht van werkgevers bemiddelt bij de behandeling van zieke werknemers, Quality Medical Services (QMS). Het bureau betaalt het ziekenhuis per geval 900 euro, waardoor de werknemer met voorrang op de wachtlijst wordt behandeld.
Deze bemiddeling beoogt de zieke werknemers versneld weer in het productieproces te laten deelnemen. Dat doet denken aan de bedrijvenpoli eind vorige eeuw.
Verschillende Kamerleden, inclusief die van de regeringspartijen, spraken schande van deze vorm van voorkruipzorg. Zelfs minister Klink (Volksgezondheid) noemde deze ontwikkeling 'zorgelijk' en zei dat marktwerking in de zorg 'zo niet bedoeld was'. Vooral die laatste reactie is opmerkelijk, aangezien deze minister tot voor kort doof was voor signalen over de tucht van de markt in de gezondheidszorg. De Kamer verlangt nu maatregelen die een eind maken aan deze voorkeursbehandeling.
Zorgautoriteit
Zeer recent is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een onderzoek gestart naar de kwestie in Haarlem. Deze marktmeester moet marktwerking in de zorg op gang brengen.Doel daarbij is het waarborgen van toegankelijke, betaalbare en goede zorg voor de patiënt. Naar men mag aannemen zal het onderzoek van de NZa zal richten op het waarborgen van de toegang tot gezondheidszorgvoorzieningen.
De vraag is echter welke maatstaven de NZa daarbij gaat hanteren. In de desbetreffende wet en de wetsgeschiedenis wordt het begrip toegankelijkheid niet nader toegelicht. Het ligt voor de hand dat hierbij aansluiting wordt gezocht bij het credo 'markten laten werken'.
Vanuit die optiek valt het voorrangsarrangement echter heel goed te verdedigen. Immers, de extra inkomsten zullen (deels) worden ingezet voor capaciteitsuitbreiding, waardoor bestaande wachtlijsten zullen afnemen. Van deze afname zullen patiënten die niet voor een dergelijke voorrangsbehandeling in aanmerking komen eveneens profiteren, alleen niet in dezelfde mate. Liberale marktdenkers, zoals de bestuursvoorzitter van het Kennemer Gasthuis, rechtvaardigen een dergelijk onderscheid door te wijzen op de uitkomst: grosso modo zullen de wachttijden afnemen waardoor, naast de toegankelijkheid tot de gezondheidszorgvoorzieningen, tevens de kwaliteit van verleende zorg toeneemt. Neemt de zorgautoriteit deze redenering over dan moet men vrezen voor vergelijkbare voorrangsarrangementen in de toekomst.
Non-discriminatie
Voor de jurist daarentegen wordt toegankelijkheid vooral uitgelegd als zijnde een mensenrechtenvraagstuk. Gelijke toegang tot gezondheidszorgvoorzieningen is een algemeen erkend mensenrecht, verankerd in tal van internationale verdragen en onze Grondwet. Overeenkomstig dat uitgangspunt heeft eenieder recht op gelijke toegang tot medisch noodzakelijke zorg. Selectie van patiënten behoort volgens het (verdragen)recht en de medische ethiek plaats te vinden louter op basis van medische en daaraan gerelateerde criteria. Een voorkeursbehandeling op grond van niet-medisch gerelateerde overwegingen (financiële overwegingen, verzekeringsstatus, etc.) is onmiskenbaar in strijd met de rechtvaardigheidsnotie die ten grondslag ligt aan dit mensenrecht en moet om die reden worden afgewezen. Een andere uitkomst zou vanuit mensenrechtelijke optiek leiden tot een niet-geoorloofd onderscheid, ofwel discriminatie.
Deze conclusie brengt de zorgautoriteit in een lastig parket. Haar taak is enerzijds het initiëren van marktwerking op de verschillende deelmarkten binnen de gezondheidszorg, en anderzijds het voorkomen van maatschappelijk ongewenste situaties als gevolg van marktwerking in de zorg.
Dat laatste is een uitvloeisel van het waarborgen van gelijke toegang. Houdt men vast aan dat basale mensenrecht, dan gaat dat ten koste gaan van (de excessen van) marktwerking. Zo bezien is de Zorgautoriteit wel gehouden op te treden tegen het Kennemer Gasthuis. Laat die dat onverhoopt na, dan is ingrijpen door de minister het alternatief.
André den Exter is als gezondheidsjurist verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum/Erasmus Universiteit Rotterdam.
Eerder verschenen in het Nederlands Dagblad van 19 november 2008

