Na de invoering van de nieuwe zorgverzekering
Mensen met chronische psychiatrische problemen zijn de grote verliezers
Anton Loonen maakt zich ernstige zorgen over de lichamelijke gezondheid van mensen met een chronische psychiatrische ziekte. Loonen betreurt de teloorgang van de ‘familiedokter’ die deze kwetsbare groep van de wieg tot het graf in het oog hield. Hij pleit voor extra aandacht voor een groep patiënten die niet kan meedraaien in het huidige systeem, laat staan in het nieuwe stelsel. Loonen (52) is arts, klinisch farmacoloog in het Delta Psychiatrisch Centrum in Poortugaal (Rotterdam) en bijzonder hoogleraar farmacotherapie bij psychiatrische patiënten aan de Rijksuniversiteit Groningen.
door Els van Thiel
“Invloedrijke captains of industry krijgen hartinfarcten op het moment dat ze volop in het leven staan. Het klinkt misschien een beetje demagogisch, maar het is wel zo dat er voor cardiovasculaire aandoeningen dan ook veel belangstelling is. Mensen met chronische psychiatrische problemen, mensen die zich geleidelijk terugtrekken, depressief worden en in verval raken, zijn maatschappelijk en electoraal geen invloedrijke groepering en krijgen dan ook veel minder aandacht.Voor hun achterban – als die er al is – is dit maar één van de problemen waar zij tegenop moeten boksen. Anton Loonen maakt zich zorgen.Mensen met een chronische psychiatrische ziekte verdienen extra aandacht van hun dokter, vindt hij, en die krijgen zij niet. “De lichamelijke gezondheid van deze mensen is ronduit slecht. Somatische voorzieningen binnen GGZ-instellingen zijn er vrijwel niet meer. In de opmars naar ambulantisering is zelfs de eigen huisarts van de instelling nagenoeg verdwenen.”
“Ik bepleit bemoeizorg”
Van mensen die iets mankeren wordt verwacht dat zij uit eigen beweging naar een dokter gaan. Bij chronische psychiatrische patiënten zou het andersom moeten zijn. Loonen bepleit ‘bemoeizorg’ voor hun lichamelijke gezondheid. “Iedere zorgverlener die met deze groep werkt, kent de verhalen over mensen met kolossale tumoren die nooit eerder bij een arts zijn geweest. Alle bla-bla over ‘voor jezelf opkomen’ mist z’n doel bij deze groep en daardoor doen deze mensen zichzelf verschrikkelijk tekort. Ze hebben te veel last van sociale en cognitieve handicaps om in een systeem te kunnen meedraaien dat ontworpen lijkt voor jonge, slimme en gezonde individuen.” Daarom is goede communicatie tussen zorgverleners van chronisch psychiatrische patiënten zo belangrijk, vindt Loonen – en juist dáár schort het aan. “Iedere psychiater zegt ronduit dat de lichamelijke en tandheelkundige zorg voor zijn patiënten een groot probleem is.Maar als je vraagt of hij de lichamelijke zorgverlening voor zijn rekening wil nemen, krijg je als antwoord dat dit een taak is voor de huisarts en voor somatici. Ik vind niet dat de psychiater het allemaal zelf moet doen, maar hij moet wel zorgen dat het gebeurt.”
Bewust van communicatieproblemen
In 2001 onderzocht Loonen het medicatiegebruik van een groep van tweeëntwintig patiënten in een beschermd woonhuis in Rotterdam. Meer dan de helft gebruikte vijf of meer geneesmiddelen en een kwart gebruikte vier of meer psychofarmaca tegelijk. Bij geen enkele patiënt stemde de opgave van de behandelend psychiater en de huisarts overeen. “Bij de meesten stemde de dosering niet overeen, maar het kwam ook voor dat de medicatie door de huisarts was gestopt, terwijl de psychiater dacht dat het doorliep of vice versa.“ Het is een stap in de goede richting als de huisarts zich er bewust van is hoeveel communicatieproblemen er zijn rond deze groep patiënten. “Het is een bekend fenomeen dat veel mensen met schizofrenie diabetes mellitus ontwikkelen; atypische antipsychotica vergroten de kans op het manifest worden van diabetes mellitus. Als de huisarts de diabetes behandelt en de psychiater schrijft een atypisch antipsychoticum voor en ze overleggen niet met elkaar, dan kun je er donder op zeggen dat er problemen komen.”
“Wie houdt patiënt in de gaten?”
Loonen is een gedreven man. Naast zijn werk in het Delta Psychiatrisch Centrum en zijn hoogleraarschap in Groningen, heeft hij samen met een psychiater in ’s-Hertogenbosch een praktijk voor second opinions voor farmacotherapie bij psychiatrische patiënten. “Alleen optimale communicatie kan voorkomen dat de problemen ons boven het hoofd groeien”, stelt Loonen. Ook de controles zijn een punt van zorg.“Mensen die lithium of Leponex gebruiken, moeten periodiek een schildkliercontrole en een nierfunctiecontrole krijgen. Wie doet dat als de patiënt zich aan de behandeling onttrekt? De gewichtstoename van mensen die psychofarmaca gebruiken kan kolossaal zijn.Wie houdt dat in de gaten? Ik ken een casus van een man met een zeer ernstige psychiatrische carrière. Hij was ingesteld op clozapine en reageerde daar goed op. Zo goed dat hij uit het zicht raakte. Maar in acht jaar tijd was hij wel – zonder dat iemand er acht op had geslagen – vaan achtenzeventig kilo naar honderdzestig kilo gegaan. Toen werd er pas iets aan gedaan.Veel te laat!” Loonen gelooft niet dat het landelijk elektronisch medicatiedossier verbetering brengt. “Ik ben bang dat het dossier op den duur niet meer up-to-date is en foute informatie bevat. Dat is nóg erger.”
Aan het kortste eind
De stelselwijziging vervult Loonen met zorg. Hij gruwt van de commercialisering van de gezondheidszorg en vreest dat juist mensen die gehandicapt zijn door psychiatrische aandoeningen aan het kortste eind trekken. “Ik merk dat mensen vanuit hun negatieve zelfbeeld en hun gevoel van nutteloosheid en hopeloosheid geneigd zijn alleen de basisverzekering te nemen. ‘Ik zie nog wel of ik ooit een aanvullende verzekering neem...’ Daardoor kunnen ze ernstig gedupeerd raken, want juist deze groep heeft de aanvullende verzekering nodig. Er is ook sprake van dat de verzekeraar wanbetalers uit de aanvullende verzekering mag zetten.Wie zijn die wanbetalers? Dat zijn mensen die zich in hun huis opsluiten, contacten afweren en hun post niet meer openmaken.Wij maken het geregeld mee dat er achter de voordeur een berg ongeopende brieven ligt als we mensen met een depressie opnemen.”
Extra aandacht en steun
De zorg is geen handelsproduct, vindt Loonen. Juist kwetsbare groepen raken tussen de wal en het schip als de concurrentiestrijd tussen zorgverzekeraars onderling losbarst en tussen zorgaanbieders. Daarom hebben zij meer behoefte aan praktische steun dan andere patiënten. Heeft Loonen de indruk dat mensen met bijvoorbeeld schizofrenie, bipolaire stemmingsstoornissen of recidiverende depressies die extra aandacht krijgen van hun huisarts? “Dat is moeilijk. De ‘familiedokter’ die vroeger het gezin van de wieg tot het graf begeleidde is nagenoeg verdwenen. In praktijken in de grote stad is het een komen en gaan van mensen. Huisartsen kennen de groep patiënten die extra aandacht nodig heeft vaak niet. In een praktijk met een gemiddelde omvang zijn dat er toch algauw zo’n honderd.” Loonen raadt huisartsen aan gebruik te maken van de in de vroegere psychiatrische ziekenhuizen opgebouwde expertise over de somatische toestand van patiënten. “De GGZ is gedecentraliseerd, maar de kennis is er nog. Met name op de verblijfsafdelingen van de vroegere psychiatrische ziekenhuizen. Daar zouden patiënten naar kunnen worden verwezen. Als het contacten eenmaal is gelegd, is het gemakkelijk uit te bouwen.”
Dit artikel verscheen in De Huisarts in Nederland, oktober 2005, nr. 10, p. 16-17

