Zwakke onderbouwing van huisartsplannen minister Hoogervorst
De huisartsen staken. Dat is iets wat ze maar zeer zelden doen en eigenlijk ingaat tegen de belofte die ze bij het behalen van hun artsendiploma deden. Met name het gedachtegoed waarop de wet is gebaseerd baart Theo Verheij grote zorgen. Hij vindt de plannen van Hoogervorst ondoordacht.
door Theo Verheij, hoogleraar huisartsgeneeskunde aan het UMC Utrecht.
Aanleiding voor de grote onrust onder de huisartsen zijn de mogelijke gevolgen van de nieuwe zorgverzekeringswet voor de gezondheidszorg en voor het werk van de huisarts.
De grote struikelblokken zijn: zorgverzekeraars krijgen in deze nieuwe wet meer vrijheid en mogelijkheden om de zorg te gaan contracteren; huisartsen zijn bezorgd over nieuwe vormen van honorering; vertrouwelijke medische gegevens moeten ter beschikking worden gesteld aan de zorgverzekeraars.
De zorgen die de huisartsen over deze punten hebben zijn te begrijpen. De zorgverzekeraars krijgen in de plannen een substantieel deel van het huisartsenbudget in handen en het staat allerminst vast dat het volledige bedrag weer in de huisartsenpraktijk gaat worden besteed. Of het bedrag elders zinnig wordt besteed is onduidelijk. Ook de doorbreking van het beroepsgeheim, door medische gegevens aan de zorgverzekeraar door te geven, lijkt niet goed doordacht. Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft al bezwaar gemaakt.
Wat echter minder aandacht krijgt, is het gedachtegoed waarop de wet is gebaseerd. De principes achter grote delen van het wetsontwerp en vooral het gebrek aan onderbouwing van die principes baren zorg.
Op de eerste plaats ontbreekt een verantwoorde en heldere analyse van wat nu werkelijk de problemen zijn in de Nederlandse gezondheidszorg. De minister noemt in de inleiding van het wetsontwerp als belangrijkste problemen in de Nederlandse gezondheidszorg: te weinig keuzevrijheid van de verzekerden, te weinig controle op de kwaliteit van de geleverde zorg, het ontbreken van prikkels om kostenefficiënt te werken, en te veel bureaucratie en bijkomende administratie voor zorgverleners.
Behalve de bureaucratie en overmaat aan administratie is geen van bovengenoemde problemen onderbouwd. Hebben verzekerden momenteel te weinig keuzevrijheid? Zitten die te wachten op zorgverzekeraars die allerlei verschillende polissen en verschillende vormen van zorg gaan aanbieden? Is het te verwachten dat elke verzekerde de verschillende aanbiedingen van zorgverzekeraars kritisch gaan vergelijkingen en makkelijk zal overstappen? Niets wat daar op wijst.
En is de kwaliteit van de zorg echt zo’n groot probleem in Nederland? Natuurlijk, op bepaalde onderdelen kan het zeker beter. Maar welke zwakke punten vindt de minister dan werkelijk het belangrijkst en waarom? Dat is niet echt duidelijk.
Ook de onderbouwing van de oplossing voor de problemen die de minister noemt, is zwak. De grondgedachte is, dat versterking van de marktwerking in de gezondheidszorg de drijfveer achter de gewenste verbeteringen zal zijn. Een hypothese die misschien in theorie wel interessant is, maar ook veel vragen oproept. Wat gebeurt er als zorgverzekeraars nog meer dan nu met elkaar kunnen gaan concurreren? Zal de zorg daar werkelijk beter van worden?
Verzekeraars zijn gebaat bij zoveel mogelijk verzekerden en een zo goedkope mogelijke zorg. Zullen ze daarbij kwaliteit altijd laten prevaleren? En zullen de patiënten in staat zijn, verantwoorde keuzes te maken tussen goede en slechte verzekeraars? En wat gaat er gebeuren als zorgverleners met elkaar gaan concurreren, zoals de wet ook wenselijk acht? Wat blijft er dan over van de samenwerking tussen die zorgverleners?
Nu hebben huisartspraktijken vaak al met meer dan tien verschillende zorgverzekeraars te maken. Als die zorgverzekeraars allemaal andere verzekeringen ’in de markt gaan zetten’, hoe moet de huisarts daar dan mee omgaan in zijn praktijk? En wordt dan de administratie van de huisarts minder?
Allemaal vragen die niet bepaald aanleiding geven om erop te vertrouwen dat de voorgestelde wet ook de gewenste effecten heeft. Vragen die ook niet bevredigend worden beantwoord in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, noch in enig ander document waarop dit wetsontwerp klaarblijkelijk is gebaseerd.
Het zou goed zijn als de minister en zijn ministerie nogmaals samen met de werkers uit het veld zouden kijken naar genoemde vragen. Er is behoefte aan een heldere analyse van de huidige situatie en beleid dat duidelijk gemotiveerd is. Daarbij moet veel meer dan nu het geval is gebruik worden gemaakt van kennis die er al wel is en bijvoorbeeld van de activiteiten die de huisartsen zelf al ondernemen om de kwaliteit van hun werk te verbeteren en inzichtelijk te maken.
Dit artikel verscheen in het Utrechts Nieuwsblad van 25 mei 2005


